Algemene Polen informatie - Forum over Polen - Webcams Polen

Oświęcim wil zo graag meer zijn dan Auschwitz

Oświęcim – Tijdens de oorlog rook het in Oświęcim – Auschwitz – naar verbrand vlees. ‘Maar de jeugd wil het niet meer weten.’ En ook de burgemeester wijst liever op de betere tijden.

Jan Hunin

Welke toerist is geïnteresseerd in het mooie centrum van het stadje met die vreselijke naam?

Dat de nazi’s juist hún stad moesten uitkiezen als locatie voor de grootste volkenmoord uit de geschiedenis, bestempelen de inwoners van het Poolse stadje Oświęcim als een gril van het noodlot. Tot op de dag van vandaag dragen ze er de gevolgen van: ze leven letterlijk en figuurlijk in de schaduw van Auschwitz. Bij de oudste inwoners is er vooral de nare herinnering aan de oorlog. Dat er in het concentratiekamp van Auschwitz en in het enkele kilometers verderop gelegen Birkenau aan de lopende band werd gemoord, konden ze ruiken. Over de stad hing tijdens de oorlog de verschrikkelijke walm van verbrand vlees.

Onder de slachtoffers bevonden zich veel plaatsgenoten; van de zevenduizend joden die Oświęcim voor de oorlog telde, zouden er 168 de oorlog overleven; de meesten stierven in het uitroeiingkamp Birkenau.

Ook de Poolse minderheid van het overwegend joodse stadje betaalde een hoge prijs. De 80-jarige Anna Pieronek, geboren en getogen in Oświęcim, verloor haar vader. Hij werkte als metselaar voor I.G. Farben, de Duitse chemische fabriek waar de kampgevangenen overdag dwangarbeid verrichten. ‘Toen hij op een dag betrapt werd op het geven van brood aan een gevangene, kwam hij zelf in het kamp terecht.’

Anna Pieronek is geen uitzondering. ‘Elke familie heeft hier tijdens de oorlog wel iemand verloren’, vertelt ze. ‘Maar de jeugd wil het niet meer weten.’

De jongeren die in Bar Mephisto in het centrum van de stad een biertje drinken, zijn liever met het heden bezig. Ze zijn trots op hun ijshockeyteam, het beste van Polen, en op olympisch zwemkampioene Otylia Jedrzejczak, die in het plaatselijke vijftigmeterbad haar baantjes trekt.

Ook op het stadhuis vindt men dat Oświęcim meer te bieden heeft dan alleen het oorlogsverleden. Journalisten die een afspraak hebben met de burgemeester, krijgen behalve een uitnodiging voor de herdenkingsplechtigheden naar aanleiding van de bevrijding – vandaag zestig jaar geleden – ook enkele toeristische brochures toegestopt. Vanwege zijn middeleeuwse geschiedenis mag de stad best gezien worden.

Maar aan het oude centrum van Oświęcim hebben de honderdduizenden die jaarlijks de nabijgelegen kampen bezoeken weinig boodschap, bekent burgemeester Janusz Marszalek.

Hoeveel er van hen ook de stad bezoeken, durft hij niet te zeggen, maar het gaat waarschijnlijk om niet meer dan een paar procent. ‘De meesten keren terug naar hun hotel in het toeristische Krakow zonder zelfs maar een glimp van het centrum op te vangen. Gelukkig lokt de synagoge af en toe enkele joodse bezoekers.’

Marszalek steekt de hand ook in eigen boezem. ‘Om van het toerisme te leven, heb je bedden nodig en die ontbraken tot nu toe.’ Pas onlangs opende in de stad een eerste luxehotel zijn deuren. De Franse president Jacques Chirac zal er tijdens de herdenkingsplechtigheden logeren. Een tweede hotel is in aanbouw.

Oświęcim kan de toeristen best gebruiken. In de loop van de jaren negentig zakte het inwonersaantal tot 41 duizend, een daling van bijna 20 procent. Pas de laatste jaren is de stad zich aan het herpakken, vooral als gevolg van nieuwe investeringen. Burgemeester Marszalek gaat er prat op dat tijdens zijn bestuur de werkloosheid is teruggelopen van 20 tot 15 procent.

Marszalek heeft er geen moeite mee dat de economische heropleving deels aan het oorlogsverleden te danken is. Oświęcim heeft van de kampen al genoeg te lijden, is zijn redenering.

Vooral de naamsverwarring speelt de stad parten, zegt Marszalek. Hoewel de kampen officieel een Duitse naam dragen, blijven de meeste Polen over Oświęcim spreken, ook als ze het kamp bedoelen. In het buitenland zorgt de naamgeving voor problemen, omdat daar juist over Auschwitz gesproken wordt, ook als de stad bedoeld wordt.

De burgemeester verwijst naar de commotie van enkele jaren geleden rond de opening van een discotheek. ‘Buitenlandse bladen schreven dat er in de gaskamers van Auschwitz gedanst werd. Wisten hun lezers veel dat de zaal niets met het kamp te maken had.’

‘De uitleg van de burgemeester klopt niet helemaal’, repliceert Hartmut Ziesing van het Internationale Jeugdontmoetingshuis, een Duits initiatief. ‘Het gebouw waar de discotheek moest komen, werd door de kampdirectie als opslagruimte gebruikt. Bovendien grenst het aan ons ontmoetingshuis, en dat vonden we niet kunnen.’ Uiteindelijk ging de discotheek dicht.

Voor de politiek van de burgemeester om de naam van kamp en stad strikt gescheiden te houden, heeft Ziesing wel begrip. ‘Niemand wil graag in Auschwitz wonen.’ Zelf was hij ook gelukkig toen de verantwoordelijke ambtenaar in zijn nieuwe Duitse paspoort als woonplaats Oświęcim noteerde, hoewel dat strikt genomen tegen de regels was.

Ziesing geeft ook toe dat de grote buitenlandse belangstelling niet altijd een zegen is. Vooral voor de bufferzone rond het concentratiekamp Auschwitz, dat in tegenstelling tot Birkenau in de buurt van een woongebied ligt, is er voorlopig geen oplossing in zicht. Toen het kamp in 1979 door de Unesco op de lijst van de beschermde monumenten werd geplaatst, werd de omgeving een beschermd gebied.

Intussen is de bufferzone door de Poolse regering teruggebracht van vijfhonderd tot honderd meter, maar zelfs dat vindt de burgemeester te veel. De beperkingen aan de zone hebben de stad duizenden banen gekost, schat hij. ‘Buiten het kamp moet het leven zijn gewone gang kunnen gaan, zoals rond elk kerkhof.’

Met zijn verzet tegen de bufferzone heeft Marszalek zich in het buitenland en ook in Warschau niet populair gemaakt. Maar de meeste inwoners van Oświęcim geven hem gelijk. Marszalek heeft er zijn verkiezing tot burgemeester aan te danken.

Weinig inwoners maakten zich in het midden van de jaren negentig druk om de plannen van Marszalek, toen nog zakenman, om tegenover de ingang van het kamp een winkelcentrum te openen. De negatieve publiciteit die artikelen als ‘Supermarkt Auschwitz’ toen opleverden, leidde tot een schandaal van internationaal formaat.

De latere burgemeester kreeg geen toestemming om met een warenhuis te beginnen, maar het winkelcentrum staat er wel, met onder andere een hamburgertent. Ook de VVV heeft er zijn kantoor. ‘Iedereen vraagt zich af hoe we hier kunnen wonen en werken,’ vertelt het meisje aan de balie. ‘Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar je went eraan.’

Wennen was het ook voor de tientallen families die na de oorlog een onderkomen vonden in de kazernes van de SS vlakbij het kamp. Vanuit hun flat kunnen sommigen het crematorium en de gaskamer zien liggen. Maar het leven gaat er zijn gewone gang. De meeste bewoners zijn de buitenlandse belangstelling beu. ‘Een alternatief is er niet en wij hebben ook het recht om te leven’, zegt een man die zijn tapijt aan het uitkloppen is. Voor de bouw van nieuwe woningen is er geen geld, verduidelijkt Ziesing, maar hij blijft optimistisch. Hij haalt het voorbeeld aan van een schuur in de buurt van Birkenau, die tijdens de oorlog als gaskamer gebruikt werd. Het probleem werd in der minne geregeld, door de eigenaar naar een andere boerderij te laten verhuizen. Ziesing: ‘Met geruzie is in Oświęcim niemand gediend.’

Bron: Volkskrant

 

Brief van de burgemeester van Oświęcim

Dear Sirs and Madams

On the 27th of January we are celebrating the 60th anniversary of the liberation of the KL Auschwitz and the Town of Oświęcim. In the biggest of all ages in human history extermination camp the Jews, Poles, Gypsies, Soviet prisoners of war and the people of other nationalities were murdered. The largest group of victims was constituted by the Jews, because since 1942 the KL Auschwitz had been set by the German Nazis to be the centre of the ‘final solution to the Jewish problem’. We must not forget that the Nazis murdered 75,000 Polish people in the KL Auschwitz since June 1940. Neither can we omit about 23,000 Gypsies murdered because of their race and nearly 15,000 Soviet prisoners of war brutally murdered. We must not forget about any victims. Every single one should be paid tribute to. It also includes the soldiers of the Red Army, who have been buried at the Parish Cemetery since January 1945. By a twist of fate the Nazis established the KL Auschwitz right here. That is why, Oświęcim will have to live with that taint forever. We must not forget that the Nazis destroyed the prewar social structure of the Town of Oświęcim. They destroyed the Jewish Community completely and displaced most of the Polish residents of Oświęcim and its vicinity.
In spite of that, the contemporary residents of Oświęcim (which was given the German name ‘Auschwitz’) and its vicinity, from the very beginning of the KL Auschwitz, despite terror and repression by the German occupying force, helped the prisoners at the cost of their own life. Contemporary residents of the town have inherited those values and ideas which motivated their ancestors. We have the right to become the true City of Peace, which will radiate with the good and tolerance over the whole world.

Yours faithfully,

Janusz Marszałek

The President of the Town of Oświęcim

Het hele dorp wist wat in Auschwitz gebeurde

Het is vandaag 27 jan. 2005 zestig jaar geleden dat het Duitse vernietigingskamp in Auschwitz, waar 1,5 miljoen mensen de dood vonden, werd bevrijd door sovjetsoldaten.

Door Stéphane Alonso

Auschwitz/Oświęcim – Tadeusz Szurmak had zich er al bij neergelegd. Als Poolse verzetsstrijder zou hij zeker worden doodgeschoten door zijn Duitse bewakers. Maar de wagen waarin hij met tachtig anderen was gepropt reed uiteindelijk naar een gevangenkamp vlakbij het Zuid-Poolse stadje Oswiecim, door de Duitsers omgedoopt tot Auschwitz. Wat een geluk, dacht Tadeusz. En met hem tachtig anderen.

Wanda Sarna wist inmiddels beter. Zij was vijftien in 1942 en woonde met haar ouders op de eerste verdieping van een huizenblok vlak buiten het kamp. Vanuit haar raam kon ze de roodbakstenen barakken van het kamp zien liggen. Ze kon ook het perron zien, waar de transporten aankwamen, met joden uit alle windstreken van Europa, maar ook met Polen, zoals Tadeusz. Iedereen in de stad wist wat er gebeurde. De baas van het kampcrematorium was Wanda’s buurman. De vroegere buren waren uit hun huis verjaagd.Oświęcim

Vandaag wordt herdacht dat het Duitse vernietigingskamp Auschwitz, waar 1,5 miljoen mensen – vooral joden – de dood vonden, precies zestig jaar geleden, op 27 januari 1945, werd bevrijd door sovjetsoldaten. Slachtoffers en getuigen van wat wel de grootste misdaad van de twintigste eeuw is genoemd, zijn er steeds minder. ,,In mijn vriendenkring sterft nu elke week iemand”, zegt de inmiddels 87-jarige Tadeusz. Mede daarom is de zestigjarige herdenking van de bevrijding van het kamp groots opgezet, met veel royalty en tientallen staatshoofden en regeringsleiders, onder wie koningin Beatrix, premier Balkenende, de Franse president Chirac en zijn Russische ambtgenoot Poetin. Ook het weer lijkt speciaal te zijn besteld. Al dagen wordt Polen gegeseld door wilde sneeuwbuien, wat de aanblik van Auschwitz en het nabijgelegen satellietkamp Birkenau alleen maar grimmiger maakt.

Ook in januari 1945 waren de weersomstandigheden extreem. ,,Na de bevrijding troffen we langs de weg naar Birkenau om de twintig meter een doodgevroren lichaam aan”, zegt Wanda (7 . ,,In het kamp zelf vonden we in één barak tientallen vermagerde kinderen, met alleen dunne dekentjes om de leden.” De sovjets troffen zo’n zevenduizend levende gevangenen aan. Wanda nam er tijdelijk acht in huis op en zou later onderscheiden worden voor haar hulp tijdens en na de oorlog aan gevangenen.

Ondertussen waren 56.000 andere gevangenen – zij die nog konden lopen – bezig met een door de nazi’s geforceerde mars naar andere kampen, meer in westelijke richting. Tijdens die dodenmarsen kwamen tienduizenden alsnog om.

Als de stemmen van slachtoffers en getuigen al lang zijn verstomd, zal er nog onverminderd worden gekibbeld over de nalatenschap van Auschwitz. Voor de joden staat Auschwitz symbool voor de holocaust, voor joods lijden. Voor de Polen staat het kamp symbool voor de wijze waarop hun land eeuwenlang is vertrapt door buurlanden. En binnen de sterk verdeelde zigeunergemeenschappen (Roma) in Oost-Europa fungeert Auschwitz steeds vaker als politiek bindmiddel.

Tien jaar geleden zette de toenmalige president Lech Walesa de eigen Poolse claim kracht bij door de joden helemaal niet te noemen in zijn rede bij de 50-jarige herdenking. Een rel was geboren.

Inmiddels is er veel veranderd in Polen: de huidige president Aleksander Kwasniewski beschouwt het verbeteren van de (economische) relaties met Israël al jarenlang als topprioriteit. Zo bood hij in 2001 onomwonden excuses aan voor de gruwelijke moord door Polen op 1.600 joden in 1941 in het dorpje Jedwabne, een zwarte bladzijde uit de Poolse geschiedenis. De herdenking van vandaag is de kroon op zijn inspanningen. Liever geen gekibbel dus. Maar de Polen morren toch.

Bron: NRC

Auschwitz – Birkenau: Ik dacht: Wie werkt, wordt niet vermoord

door Nienke Ledegang

Ze was het poppetje van de familie, zegt ze zelf. “Een scharminkel.” Dat alleen zij overleefde, en haar vader, moeder en broertje Andries het leven lieten in de concentratiekampen, kan Leny Boeken nog steeds niet begrijpen.

Leny Boeken is een bekend gezicht in Amsterdam. Met haar 82 jaar staat ze nog altijd zes dagen per week in de indrukwekkende stoffenzaak van Boeken aan de Nieuwe Hoogstraat. Klein van stuk is ze, maar haar ogen staan helder en ze is tamelijk kwiek – “Maar op een ladder klim ik niet meer, hoor.”

Het verhaal van Boeken begint ook in Amsterdam, aan het einde van de jaren twintig. De kleine Leny Velleman (geboren op 22 november 1922) komt dan in de Amsterdamse Rivierenbuurt wonen. Tot die tijd woonde ze om en om in Zandvoort, waar haar moeder een winkeltje dreef, en bij haar opa en oma vlakbij de Weesperstraat. In de Rivierenbuurt neemt het gezin Velleman zijn intrek in een nieuwbouwhuis: vader, moeder, Leny, Andries en een oom die weduwnaar is, met zijn zoon. “Ik was door en door verwend”, herinnert Boeken zich. ,,Niet in materiële zin, want we hadden niets. Nee, verwend met aandacht. Ik weet het nog goed: ik was heel ziekelijk vroeger en toen ik een tijdje in het ziekenhuis had gelegen, vroeg mijn vader wat ik wilde hebben. ,,Een zilveren kapstel”, zei ik toen. Toen ik thuiskwam, had hij het voor mij gekocht: een zilveren borstel, een spiegel, een kam…” Boeken kan wegdromen bij de warme herinneringen aan haar jeugd. ,,Ik had ook veel vriendinnetjes. Toen ik acht was speelde ik veel met een tweeling uit de buurt. Een van de twee leeft nog steeds, ik spreek haar regelmatig.”

Grimmig wordt de sfeer voor het Joodse gezin Velleman als de oorlog uitbreekt. Leny is dan 17 jaar oud. “Ik was nog een kind. Het was een grote domper dat het oorlog werd. In 1942 zijn we gaan onderduiken, vrij vroeg. Toen was mijn broertje al een keer opgepakt en weer vrijgelaten omdat hij nog geen vijftien was. Zelf had ik een oproep gekregen om mij vrijwillig te melden.”

Het gezin Velleman gaat eerst naar een adres in Amsterdam, Leny reist later door naar Zeist, waar ze bij een gescheiden moeder met twee kinderen onderduikt. “Daar ben ik gepakt. Op 16 augustus 1944 kwam daar een man aan de deur, etensbonnen brengen. Ik vertrouwde hem niet. Met een ander onderduikmeisje ben ik direct naar een ander adres in Zeist gegaan. Maar de vrouw des huizes zag dat vriendinnetje en zei: jij bent te Joods, als je het niet erg vindt, stuur ik jou weer terug. Samen uit, samen thuis, zei ik en we gingen terug naar ons oude adres. Daar zijn we die nacht opgepakt. Of eigenlijk: we werden met een hele groep opgepakte onderduikers uit Zeist naar zolder gebracht en de volgende ochtend gingen we in een open auto naar Amsterdam, naar de Euterpestraat.”

Leny Boeken krijgt de kans om te vluchten, maar doet het niet. “Ik dorst niet. We werden naar het huis van bewaring aan de Weteringschans gebracht. Op de tram zat een bekende van me. Hij fluisterde mij toe hij me zou helpen ontsnappen. Maar ik was vreselijk bang, wilde niet nog een keer gepakt worden. Dus heb ik het niet gedaan.”

Zo komt Boeken in Westerbork terecht, waar ze dertien dagen later, op 3 september 1944, op transport naar Auschwitz wordt gezet. Het laatste transport vanuit Nederland, hetzelfde als dat van Anne Frank, blijkt later. ,,Ook toen kreeg ik de kans om te ontsnappen, om uit de trein te springen. En weer dorst ik niet.”

Boeken komt in Auschwitz-Birkenau. “Ze wisten daar geen raad met ons. Ze zetten ons aan allerlei karweitjes, flauwekuldingen. We moesten graszoden van de ene naar de andere kant brengen, of een berg zand verplaatsen en die later weer terugbrengen. Maar ik dacht altijd: wie werkt, wordt niet vermoord. Dus stond ik altijd vooraan in de rij als er klusjes verdeeld werden. Als er echt niets meer te doen was, moesten we in een kuil naast de barakken gaan zitten.”

Na tweeënhalve maand, de Russen zijn in opmars, wordt Boeken naar Tsjechoslowakije gebracht. ,,Ik kwam in Kratzau terecht, bij Gross Rosen. Niet echt een concentratiekamp, maar een soort slot waar zo’n 250 meisjes uit allerlei landen samen waren. Direct bij aankomst werd gevraagd: wie wil er werken? Weer stond ik vooraan. Dat heeft mijn leven gered, dat weet ik zeker.” Ze denkt, vertelt Boeken nu, dat ze misschien daarom nog steeds zo veel werkt. ,,Ik kan er niet tegen om niets te doen. Ik heb mijn leven lang gewerkt. Waarom zou ik er dan nu ineens mee stoppen?”

In Kratzau helpt Boeken onder meer bij het lossen van aardappelen op het station. ,,Een droombaantje”, herinnert ze zich. ,,De schil van een rauwe aardappel is geweldig tegen de honger.” Ook wordt ze tewerkgesteld in een munitiefabriek. ,,We werkten in drie ploegen en voor elke dienst werd wat eten uitgedeeld. Een vriendinnetje van me kwam op het idee om twee keer eten te halen. Voor het werk en erna direct weer. Ik deed dat ook, maar werd gesnapt. Ik werd naar de ziekenboeg gebracht, waar ze een lila glimmende zalf op mijn buik smeerden. Eerst lachte ik nog. Wat zou een zalfje voor kwaad kunnen doen? Maar al snel groeide mijn navel naar buiten. Ik moest gewoon aan het werk, maar dat kon alleen met mijn handen onder mijn buik. Het deed onvoorstelbaar veel pijn. Op een zeker moment kreeg ik te horen: ‘Dokter Mengele komt je morgen opereren’. Hij was net aangekomen uit Auschwitz, waar hij was gevlucht voor de Russen en heeft mijn navel erafgeknipt. Het bloedende ding hebben ze in closetpapier gewikkeld.”

,,Ik heb niet gehuild, die lol gunde ik ze niet. Ook al werd naast mij een pasgeboren baby doodgeknepen. Omdat ik me groot had gehouden, kreeg ik van de hoofdzuster een paar steunkousen. Ik kon meteen weer aan het werk. Dat heb ik volgehouden tot drie dagen voor de bevrijding. Toen ben ik ingestort. Ik had vlektyfus gehad, was kaalgevreten door de luizen, liep met die harde buik rond en had achttien gaten in mijn billen door veretteringen. Je kunt de littekens nog zien. Ik was he-le-maal op. Pas toen mocht ik in de barak blijven.”

Terwijl zij in de barak ligt, wordt het kamp bevrijd. De burgemeester van Kratzau stuurt een ossenkar die de meisjes uit het slot weghaalt. Boeken maakt nog een boel omzwervingen via onder meer Praag en Pilzen. ,,Ik had te veel omzwervingen gemaakt om nog onder de Joodse mensen te zijn, ik was in mijn eentje en sloot mij aan bij een groep Hollandse jongens. Het was een bizarre tijd. Ik was doodziek en een beetje gek in mijn hoofd. Ik begon spullen te jatten.”

,,Allemaal spullen waar ik niets aan had, die ik alleen maar wilde hebben om het hebben: lepels, haarspelden (ik was kaal!) en kussenslopen. Ook de anderen deden gekke dingen. Ik zal nooit het beeld vergeten van Amerikanen met wel veertig horloges om hun armen. Soms vroeg ik me af of ik, of de wereld, nog normaal zou worden.”

Boeken komt aan in Maastricht. ,,En toen begon de tweede ellende. Ik kon nog niet terug naar Holland, want Holland was dicht. Ik werd naar Amersfoort gebracht, waar ik tussen de NSB’ers zat. Toen ik eenmaal naar Amsterdam kon, ben ik gegaan. Wat een ellende: ik had niemand meer, geen dak boven mijn hoofd. En niemand die mij onderdak aanbood. Soms kon ik ergens een nachtje slapen, maar dan moest ik weer weg. Het welkom was kil, ijskoud.”

Een troost was de enorme doos met foto’s van haar familie, die ze via via in bezit krijgt. ,,Iemand had die doos voor een dubbeltje op de kop getikt. Onder meer zat er een foto in van mij met dat zilveren kapstel van vroeger. Zo kon ik aantonen dat het van mij was. Dankzij die foto heb ik later mijn kapstel teruggekregen. Het ligt nog altijd op mijn nachtkastje.” Een vriendinnetje vroeg Boeken in januari 1946 mee naar een dansavond in de IJsbreker. ,,Een jongen vroeg mij ten dans. Dat is goed, antwoordde ik, maar dan moet je me wel thuisbrengen. Dat heeft hij gedaan – én de 57 jaar daarna, tot hij doodging.”

Over haar man, Sven Boeken, met wie ze in mei 1947 trouwde, zegt Boeken: ,,Pas toen ik hem leerde kennen, had ik weer iemand. Mijn man is drie jaar in Auschwitz geweest. Hij was van het eerste transport, ik van het laatste. Ik zeg wel eens: hij heeft de deur opengezet, ik heb hem dichtgedaan. Maar moet je je indenken: ik was tien maanden in Auschwitz, hij drie jaar. Je kunt je niet voorstellen wat iemand dan heeft overleefd.”

Het echtpaar Boeken pakt zo goed en zo kwaad als het gaat de draad van het ‘gewone’ leven op. ,,Ik had wel naar Israël gewild, maar mijn man wilde niet. In Nederland was ik bang, in Israël gek genoeg niet. Ik was er in 1973, tijdens de Jom-Kippoeroorlog en ik was helemaal niet bang. Nu ben ik blij dat ik niet gegaan ben. Daar is inmiddels ook alles anders.”

Haar man Sven had bovendien een bloeiende stoffenhandel op de Zwanenburgwal en Leny vond een baan bij IBM. ,,Toen ik pensioneerde, ging ook mijn man minder werken. Vaak zaten we bij onze caravan in Loosdrecht. Maar toen hij overleed, bleef de eenzaamheid over. Ik redde het niet meer. Mijn zoon, André, had inmiddels de zaak overgenomen en vroeg me af en toe een dagje te helpen. Dat is steeds meer geworden en nu ben ik zes dagen per week in de winkel.”

,,Ik vind het leuk en ik houd het nog goed vol . Sjouwen of de trap op en af, dat doe ik niet meer. En het allerlekkerste is: ik hoef tegenover niemand verantwoording af te leggen. Als ik een keertje laat wil komen, dan kom ik laat. Niemand die daar iets van kan zeggen, want eigenlijk ben ik gepensioneerd. Ik voel me vrij. En dat is een heerlijk gevoel.”

Bron: Trouw

Auschwitz blijft een onvoorstelbare verschrikking

door Gerhard Wilts

Birkenau 25 August 1944

Birkenau 25 August 1944

Oświęcim – In Auschwitz – Birkenau dwarrelen kleine vlokken uit sneeuw uit de grijze lucht naar beneden . Een koude wind snijdt over de uitgestrekte, doodse vlakte. Zestig jaar geleden wachtten hier 7500 uitgemergelde gevangenen hun Russische bevrijders op. Nog steeds beklemt de sfeer; de omvang van deze vernietigingsfabriek is een niet te bevatten verschrikking.

Het basiskamp, Auschwitz I, is na de oorlog ingericht als museum. Cynisch om te bedenken dat het jaarlijks 250.000 bezoekers trekt. Meer dan Auschwitz I laat concentratiekamp Birkenau (Auschwitz II) de enorme schaal zien waarop de nazi’s systematisch 1.300.000 joden hebben vermoord. Eindeloze rijen betonnen palen met prikkeldraad en wachttorens staan in een winters decor als kille getuigen van een gigantische doodsmachinerie. Auschwitz, de ‘residentie van de dood’, werd na de Tweede Wereldoorlog hét symbool van genocide en holocaust. Nergens in Hitlers Derde Rijk zijn zoveel joden vergast als hier.

Het begin

De gebouwen van Auschwitz I waren oorspronkelijk leegstaande kazernes en munitiebunkers van het Poolse leger. Na de capitulatie van Polen op 28 september 1939 kwamen de ongeveer twintig gebouwen in handen van de nazi’s. Al snel rees het plan om bij Oświęcim in Zuid-Polen een concentratiekamp te bouwen, omdat de gevangenissen in het westelijke Silezië overvol raakten. Bovendien beschikte het afgelegen Auschwitz (de Duitse benaming) over een belangrijk spoorwegknooppunt.

De bouw van het kamp begon in april 1940. De eerste groep van 728 Poolse politieke gevangenen arriveerde twee maanden later. Om de wassende stroom gevangenen – aanvankelijk Polen, later ook andere Europese nationaliteiten en joden – op te vangen, liet de Gestapo er een achttal Blocks bijbouwen. In 1942 telde Auschwitz I ongeveer 20.000 gevangenen; in miserabele zalen opgepropt, tot zelfs kelders en zolders uitpuilden.

In de lange gangen van Block 4 en 6 hangen nu foto’s van de slachtoffers: strakke monden, lege ogen, trieste vrouwengezichten, kaalgeschoren kerels – door ontbering stierven de meesten binnen enkele maanden, leren de onderschriften.

De Gestapo had een eigen gedeelte in Auschwitz I. Zij ondervroegen gevangenen, sloegen, martelden en moordden – de pijn is bijna tastbaar in de grauwe folterkamers. De grootste zaal deed dienst als experimentele gaskamer. Het vergassen van mensen hier stopte in 1943, omdat de Duitsers via gaskamers in het nabijgelegen Birkenau op een veel grootschaliger manier hun plannen konden uitvoeren.

De overbevolking van het basiskamp noopte de nazi’s in 1941 tot de bouw van Auschwitz II-Birkenau dat zich uitstrekte over een vlakte van 175 hectare. Birkenau had een eigen station en perrons. Met vier gaskamers en crematoria vormde het een vernietigingsfabriek zonder weerga in het Derde Rijk. Ruim anderhalf miljoen mensen zijn er vermoord, veruit de meesten van joodse afkomst.

De aankomst

De nazi’s voerden per trein joden uit heel Europa aan. Zij spiegelden hun slachtoffers werk voor in Zuid-Polen bij niet-bestaande bedrijven, winkels en banen in de landbouw. Onwetend van de gruwelijke bestemming van hun reis, namen veel joden kostbare spullen in hun koffers mee. Velen stierven al onderweg, omdat ze zonder eten of drinken vier tot tien dagen opgesloten zaten in verzegelde treinwagons.

Tot het voorjaar van 1943 werden de gevangenen bij aankomst gefotografeerd. Kennelijk gaf het te veel oponthoud; voortaan gingen hele transporten bij aankomst meteen naar de gaskamers. Alleen van Duitse gevangenen en soms van gevangenen van andere nationaliteiten werden nog foto’s gemaakt.

De vernietiging

Bij aankomst in het kamp werden mannen en vrouwen/kinderen direct gescheiden. SS-artsen selecteerden op het perron gevangenen op arbeidsgeschiktheid. Driekwart van de nieuwkomers ging meteen na de selectie door naar de gaskamers. Met niemand had het Herrenvolk medelijden: in Auschwitz zijn 232.000 kinderen over de kling gejaagd. Hartverscheurend zijn de foto’s met kinderen: drie jochies die hand in hand naar de gaskamers lopen, joodse moeders die hun kleintjes stevig vasthouden op weg naar de dood, kinderen in lompen gehuld achter prikkeldraad.

In de openlucht wachtten de slachtoffers 48 uur op hun beurt voor de zogenaamde desinfectie in ondergrondse doucheruimten. Ontluisterend is een heimelijk gemaakte opname van naakte vrouwen die rennen naar de ‘douches’. Uit de sproeikoppen zou nooit water komen; door een luikje werd het dodelijke Zyklon B naar binnen gegooid, een gas dat binnen twintig minuten allen doodde.

Een gids legt een groep jongeren aan de hand van een maquette uit wat er in de gaskamers gebeurde: mensen klauterden in doodsnood op elkaar, snakkend naar een laatste restje zuurstof. De jongeren luisteren, stil en zichtbaar aangeslagen.

De lijken werden in de aangebouwde crematoria verbrand. Omdat de ovens de aanvoer van dode lichamen niet aankonden, werden achter het kampterrein de lijken verbrand in kuilen en op brandstapels.

Ook voor de overige gevangenen was alles gericht op een snelle dood. De erbarmelijke levensomstandigheden in combinatie met slecht en te weinig voedsel, straffen en zwaar werk, betekende een wisse dood binnen enkele maanden.

Dagelijks leven

De gevangenen moesten zwaar graaf- of productiewerk verrichten in veertig subkampen in de nabije omgeving. Het dagrantsoen bestond uit niet meer dan een halve liter ‘koffie’, een hompje klef brood, ‘soep’ (niet zelden gemaakt van verrotte groente) en kleine stukjes worst of kaas.

De dunne gestreepte kleding beschermde niet tegen de kou, net zomin als de enkele dunne deken voor de nacht in de vochtige barakken. Velen stierven door ziekte, uitputting, kou en honger. In de barakken wemelde het van ratten en ander ongedierte.

Wie probeerde te ontsnappen, werd doodgeschoten. Het lijk hingen de nazi’s bij de poort van Auschwitz I als afschrikwekkend voorbeeld voor de anderen. Bij deze poort, met het cynische opschrift Arbeit macht frei, speelde dagelijks een muziekkorps als de gevangenen naar het werk gingen en na een elfurige werkdag uitgeput terugkeerden, de doden met zich meedragend. De muziek hielp de rust te bewaren en maakte het in kolonne lopen gemakkelijker, terwijl de nazi’s sneller alle gevangenen konden tellen.

De martelingen

Een van de dagelijkse kwellingen in Auschwitz I was het appèl, dat vaak vele uren kon duren. Het langste appèl, op 6 juli 1940, duurde 19 uur. Bij strafsessies moesten de gevangenen knielen of hurken, of werden gedwongen hun armen uren in de lucht te houden. Een beruchte straf was het ‘paalbinden’, waarbij gevangenen aan hun op de rug gebonden armen werden gehangen.

De SS’ers ontnamen hun slachtoffers elke vorm van menselijke waardigheid. Artsen voerden medische experimenten uit op vrouwen, gehandicapten en kinderen. Dr. Joseph Mengele bijvoorbeeld had het liefst jonge tweelingen voor zijn ‘genetisch en antropologisch’ onderzoek. De meesten overleefden de proeven niet, anderen raakten ernstig verminkt. Ook zieke gevangenen werden gebruikt: de Häftlinge Krankenbau in Auschwitz I droeg de bijnaam ‘wachtkamer voor het crematorium’ niet voor niets.

De binnenplaats tussen Block 10 en Block 11 in Auschwitz I heette de ‘muur des doods’. Leden van de SS executeerden er duizenden gevangenen, voornamelijk Polen. Nadat in Block 11 het vonnis was geveld, moesten de veroordeelden zich in de wasruimte halverwege de gang uitkleden. Plexiglas markeert de deuropening waardoor zij naar buiten liepen voor executie. Hoe zouden zij zich hebben gevoeld? Bang, verdoofd, wanhopig?

Niemand die hen zag dan hun moordenaars. De ramen in Block 10 waren geblindeerd met houten luiken, want de SS wilde geen ooggetuigen. Vlak voor de terugtrekking braken zij de muur en de blinderingen weg. Maar de muur is na de oorlog herbouwd en de luiken kwamen terug. Zwarte bordjes vragen nu om stilte uit respect voor de gevallenen. Op de grond liggen kransen en brandt een kaarsje. Opdat niemand het vergete…

De roof

Nietsontziend plunderden de nazi’s hun slachtoffers. Bij de bevrijding van het concentratiekamp troffen de Russen balen menselijk haar aan van in totaal 7000 kilo. Vrouwenhaar diende als grondstof voor textiel.

De magazijnen puilden uit van de geroofde bezittingen, zorgvuldig geselecteerd: koffers, schoenen, brillen, borstels, kleren, schalen, tot gebedsdoeken en protheses toe. Onbewogen dienden SS’ers bij hun commandant schriftelijke aanvragen in voor een kinderwagen of babykleertjes.

Veel voorwerpen liggen nu tentoongesteld in sinistere vitrines in het Auschwitz-museum: een berg koffers met joodse namen uit alle delen van Europa, 43.000 paar schoenen, een enorme stapel brilmonturen.

Het verzet

Met openbare ophangingen poogden de nazi’s ieder verzet in de kiem te smoren. Op 19 juli 1943 vond de grootste publieke ophanging plaats: twaalf Poolse gevangenen kregen de strop, omdat zij met de buitenwereld contact hadden gezocht en medegevangenen hadden geholpen te ontsnappen.

De enige gewapende opstand onder joodse gevangenen vond plaats op 7 oktober 1944. Leden van het Sonderkommando (dat de dode lichamen uit de gaskamers moest halen en verbranden), staken Krematorium IV gedeeltelijk in brand. De SS vermoordde tijdens en na de revolte meer dan 450 heldhaftige opstandelingen.

Ondanks ontbering, onderdrukking en snelle sterfte slaagden de gevangenen erin ondergronds verzet te organiseren. Zij redden zieken uit handen van verknipte nazi-chirurgen. Ze smokkelden voedsel en medicijnen het kamp binnen. Gecodeerde briefjes over misdaden, in het geheim genomen foto’s en lijsten met namen van gevangenen en bewakers gingen in tegenovergestelde richting om als belastend bewijsmateriaal te dienen na de oorlog.

Het verzet richtte zich tevens tegen handlangers van de nazi’s. Als gevangenen te nauw samenwerkten met de SS, probeerde men hen te vervangen door anderen. Ook vonden er in het geheim godsdienstoefeningen plaats, want juist uit het geloof putten velen kracht.

Het einde

Aan het einde van de zomer in 1944 leefden er ruim 90.000 mannen en vrouwen onder verschrikkelijke omstandigheden in het kamp. De nazi’s voelden de nederlaag aankomen en trachtten de sporen van hun misdaden uit te wissen voor het snel oprukkende Rode Leger. Met dynamiet blies de SS de gaskamers en crematoria op, maar had geen tijd om de ruïnes volledig op te ruimen. De restanten liggen er nog steeds, onaangeroerd, als een woordenloze klacht.

Van de meeste barakken restten nog slechts fundering en schoorsteen; voor het in brand steken van de laatste 45 houten barakken ontbrak de tijd. Op 17 en 18 januari 1945 dreven de zich terugtrekkende nazi’s naar schatting 56.000 gevangenen onder strenge bewaking Auschwitz uit, richting Duitsland. Velen overleefden deze ‘dodenmarsen’ in de vrieskou niet.

In 1967 is een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de holocaust onthuld, aan het einde van de spoorlijn, recht tegenover de ‘dodenpoort’ van Auschwitz-Birkenau. Voor het uit brokstukken opgetrokken monument liggen grote gedenkplaten waarop in verschillende talen staat: ‘Laat deze plaats eeuwig een kreet van wanhoop zijn en een waarschuwing aan de mensheid. Hier hebben de nazi’s omstreeks anderhalf miljioen mannen, vrouwen en kinderen vermoord, voornamelijk joden uit verschillende Europese landen.

Bron: Nederlands Dagblad

Auschwitz – vragen en antwoorden

Oświęcim/Rijswijk (ANP) – De volkerenmoord die de nazi’s pleegden was een van de gruwelijkste episodes uit de Europese geschiedenis. De nazi’s wilden zeker elf miljoen vooral joodse Europeanen uit de weg ruimen en slaagden voor een groot deel in hun opzet. Enkele nog steeds actuele vragen over Auschwitz:
Waarom bestaat er onduidelijkheid over het aantal slachtoffers?

Het aantal mensen dat in en rond Auschwitz is vermoord, wordt tegenwoordig door historici op 1,1 miljoen geschat. Dit getal staat voor bijna eenvijfde van de door de nazi’s vermoorde joden. Naar schatting 90 procent van de slachtoffers in Auschwitz waren joden. Het precieze dodental is niet bekend. De nazi’s hielden wel bij wie er gevangen zaten en bezweken, maar niet wie er na aankomst werden vergast.

Onderzoek is na de oorlog mede bemoeilijkt door de tweedeling van Europa in Oost en West. Met name de geheimzinnigheid van de Sovjet-Russische autoriteiten heeft veel historisch of gerechtelijk onderzoek belemmerd. De Russen stelden aan het einde van de oorlog dat er vier miljoen mensen waren vermoord, maar dat bleek met betrekking tot Auschwitz slechts een gok.

Waarom was er geen verzet in de kampen?

De massamoorden verliepen relatief rimpelloos, vooral door het misleidende en brute optreden van de nazi’s. De uitdrukking ‘als lamme schapen naar de slachtbank’ is mede van toepassing op de gaskamers van Auschwitz. De slachtoffers waren meestal na een lange treinreis, gepropt in wagons zonder eten en drinken, en na jaren van intimidatie lichamelijk uitgeput en geestelijk vrijwel in een shocktoestand.

Volgens een lid van het zogenoemde Sonderkommando (joodse gevangenen die de lijken moesten verbranden) en wiens geschriften na de oorlog zijn gevonden, wisten de slachtoffers na aankomst bij de gaskamers wel dat ze zouden worden vermoord. Ze lieten zich niet misleiden door de zogenaamde ‘douches’. De meesten waren volgens hem enkel nog geïnteresseerd in het lot van hun familieleden. Hun levenslust werd gebroken als ze zich realiseerden dat ook die snel zouden worden vermoord of reeds om het leven waren gebracht.

Toch zijn er in kampen en getto’s verbeten opstanden geweest. In Auschwitz gebeurde dat in oktober 1944. Leden van het Sonderkommando van crematorium IV kwamen in opstand in samenwerking met het Poolse verzet. Alle opstandelingen zijn door de Duitsers gedood, maar de aangerichte schade was een van de redenen die Himmler ertoe bracht de gaskamers een maand later te sluiten.

Wanneer werden de gruwelen bekend en waarom waren er geen bombardementen?

Het lot van de gedeporteerden was lange tijd onbekend. Vanaf 1942 waren er tal van meldingen en waarschuwingen van onder meer joodse organisaties dat de weggevoerden werden afgeslacht. Hoe en waar precies was aanvankelijk moeilijk te achterhalen. De Duitsers hadden naar schatting 16.000 gevangenenkampen opgezet in de bezette gebieden. De geallieerden maakten duizenden luchtfoto’s per dag. Veel fotomateriaal werd niet nauwkeurig bekeken. Details lekten later uit via ontsnapte gevangenen.

Slechts circa honderd mensen ontsnapten uit Auschwitz. Eén van hen was een Poolse verzetsstrijder, Jerzy Tabeau, die na gevangenschap in Auschwitz I in Birkenau moest werken. Na zijn ontsnapping in november 1943 schreef Tabeau een rapport van 69 bladzijden waarin hij reeds aangaf dat er anderhalf miljoen mensen zouden worden vermoord in Birkenau. Het rapport kwam halverwege 1944 in Londen terecht waar premier Churchill het zou hebben gelezen. Het werd in november 1944 in de Verenigde Staten gepubliceerd.

Bombardementen op de kampen werden overwogen, maar niet uitgevoerd. De vliegtuigen zouden 4000 kilometer moeten vliegen en bommen afwerpen van circa 10 kilometer hoogte op spoorrails of op de kampen. De geallieerden zagen hier niets in. Voorts hadden veel analisten moeite de werkelijke omvang van de massamoorden in Auschwitz in te schatten en kozen ervoor niet het ergste te vrezen.

Wie zijn er berecht?

De misdaden van Auschwitz zijn nauwelijks vervolgd. Kampcommandant Höss werd na de processen van Neurenberg geëxecuteerd, maar over het algemeen is er weinig ondernomen om de beulen te vervolgen. De Koude Oorlog behoorde tot een van de oorzaken voor die passiviteit. In Oost-Europa waren er weliswaar de zogeheten bijltjesdagen, maar behalve in Neurenberg kwam er geen gezamenlijke aanpak van de daders. Veel overlevenden en getuigen bij eventuele processen, leefden achter het IJzeren Gordijn en de rivaliteit tussen Oost en West hinderde het onderzoek.

In West-Duitsland waren er geen bijltjesdagen. De rechterlijke macht bleef vrijwel ongeschonden na de ineenstorting van het nationaal-socialisme. Zo was bijvoorbeeld nazi-magistraat Weinkauff in de jaren vijftig nog voorzitter van het (West-)Duitse federale hof. Pas begin jaren zestig slaagde de magistraat Fritz Bauer erin 22 misdigers uit Auschwitz in Frankfurt voor de rechter te slepen.

Onder de beklaagden was Höss’ plaatsveranger Robert Mulka. Zes kregen levenslang, elf anderen straffen tot veertien jaar en drie werden vrijgesproken. De joodse staat slaagde er voorts in een van de grote organisatietalenten van de genocide, Adolf Eichmann, in Argentinië te achterhalen en na een proces in Israël in 1962 te executeren.

Bron: SPiTS Actueel januari 2005

Oświęcim of Auschwitz

Oświęcim of Auschwitz is wat velen zich afvragen, Internationaal is het voor iedereen duidelijk het moet Auschwitz zijn. In de Poolse stad Oświęcim denkt men liever aan Oświęcim omdat men door Auschwitz eigenlijk geen toekomstmogelijkheden heeft.

Toch heeft ook dit stadje recht op een toekomst, zal haar dat gegund worden?

Enkele archief berichten zijn door ons verzamelt, zodat deze niet verloren gaat.

Wanneer mogelijk zullen wij voor u de pagina’s aanvullen.

De man die inbrak in Auschwitz

Auschwitz

The Man Who Broke into Auschwitz

De man die inbrak in Auschwitz is het buitengewone waargebeurde verhaal van een Britse soldaat die vrijwillig in Buna-Monowitz naar binnen marcheerde, het concentratiekamp bekend als Auschwitz III. In de zomer van 1944 werd Denis Avey vastgehouden in een krijgsgevangen werkkamp, E715, vlakbij Auschwitz III.

Hij had gehoord van de brutaliteit opgelegd aan de gevangenen daar en hij was vastbesloten om daarvan getuigen te zijn. Hij broedde een plan uit om zijn plaats te wisselen met een Joodse gevangene en smokkelde zichzelf in zijn sector van het kamp. Hij bracht de nacht door bij twee gelegenheden en ervoer uit eerste hand de wreedheid van een plaats waar slavenarbeiders, ter dood veroordeeld waren door middel van arbeid. Verbazingwekkend, overleefde hij de nasleep van de Dodenmars, waar duizenden gevangenen door de nazi’s werden vermoord toen het Sovjet leger naderde.

Na zijn eigen lange tocht dwars door Midden-Europa werd hij naar Groot-Brittannië gerepatrieerd. Voor decennia lang kon hij zichzelf er niet toe brengen om het verleden opnieuw te bezoeken, maar nu voelde Denis Avey zich in staat om het volledige verhaal te vertellen – een verhaal zo aangrijpend als het is in ontroering – en dat biedt ons een uniek inzicht in de geest van een gewone man, wiens morele en fysieke moed bijna niet te geloven zijn.

Productinformatie

Auteur:
Taal:
Afmetingen:
Gewicht:
ISBN10:
ISBN13:
Avey Denis & Broomby Rob
Engels
21x197x130 mm
220,00 gram
1444714198
9781444714197

o.a. Hier te bestellen

All photos and texts on this website are copyrighted.
Unauthorized use without permission of the Author or Administrator, will be punished by international law
Copyright © 2004 - 2015 All Rights Reserved Polenforum.nl